De diversiteitsplaining van meneer Gert Jan Geling

Gert Jan Geling

In een recent verschenen ‘opiniestuk’ weet meneer Gert Jan Geling het voor elkaar te krijgen om alvast een voorschot te nemen op álle bevindingen, resultaten en eindconclusies van het volledige rapport van de Commissie Diversiteit die sinds de Maagdenhuisbezetting is ingesteld aan de Universiteit van Amsterdam (UvA). Een rapport dat pas op 12 Oktober 2016 (!) gepresenteerd zal worden. De historicus Geling doet dus alsof hij de grenzen van de tijdelijkheid kan overstijgen en als een soort bovenmenselijk wezen de toekomst in kan kijken, waardoor die dan in staat zou zijn om zo arrogante aanbevelingen te doen als: “Koester diversiteit, maar waak voor diversiteitsfundamentalisme”. Ik zeg: “Wow!”

Deze hoogmoedige en zelfgenoegzame houding bewijst voor mij vooral tweeërlei. Ten eerste dat hij in relatie tot het thema democratisering en dekolonialiteit in feite niet de toekomst inkijkt, maar achter een façade van fatsoen — in dit geval zijn “koester diversiteit” — juist vasthoudt aan het verleden. Wellicht zelfs aan het koloniale verleden dat de kleine burger liever wil vergeten. Hoe dan ook: ik kan niet anders dan meneer Geling te verdenken van een reactionaire houding. Ten tweede lijkt hij vreselijk ten prooi te zijn gevallen aan twee menselijk-al-te-menselijke vergissingen: enerzijds niet te weten dat ie niet weet en anderzijds te denken dat elk denken op zichzelf al genoeg is om door te kunnen gaan als een kritisch denken.

Het socratische weten-niet-te-weten

Wat betreft de eerste vergissing, stond het reeds voor Plato vast dat domme mensen niet zozeer mensen zijn die niet weten — want onwetend zijn we allemaal —, maar dat hun domheid daaruit bestaat dat ze niet voortdurend streven naar kennis door zich bescheiden op te stellen in de houding van het socratische weten-niet-te-weten. De ondergrond van domheid is daarom een níet-weten-dat-je-niet-weet en dat maakt dat iemand zichzelf genoeg is. Deze zelfgenoegzaamheid is dan ook de kern van domheid.

Betreffende de tweede vergissing, betwijfel ik geenszins dat meneer Geling in staat is tot de activiteit van het denken. Was hij dat niet, had ie nooit alles kunnen schrijven dat er staat. Hetgeen hem echter zonder enige twijfel ontgaat, is dat het beslissende van een kritisch denken niet is dát hij denkt, maar hóe hij denkt. Wat hij in zijn schrijfsel ventileert, kan namelijk simpelweg geen oordeel zijn dat de resultante is van een kritische analyse van het hele rapport. Dat moet namelijk nog verschijnen. Dit anachronisme bewijst vooral dat hij het verzuimd heeft zijn persoonlijke vooroordelen, die hij duidelijk koestert, aan een kritisch onderzoek te hebben blootgesteld.

En dat terwijl toch ieder volwassen mens — en toch zeer zeker ieder hoogopgeleid mens — tot zoiets in staat is; dus ook meneer Geling. Daarvoor hoeft ie alleen maar zijn eigen oordeel op te schorten en middels zijn verbeeldingskracht alle andere mogelijke oordelen voor zijn geest te halen. En voor het geval zijn verbeeldingskracht nog niet goed genoeg getraind is, hoeft ie alleen maar te wachten op het definitieve eindrapport om dat dan met voldoende tijd, concentratie en Openheid — met een hoofdletter O — aandachtig tot zich te nemen. Zou hij dat doen, dan kon hij al zijn vooroordelen werkelijk kritisch onderzoeken in het licht van de standpunten van alle andere mensen. Maar dat wilde meneer Geling kennelijk niet; hij was zichzelf genoeg.

Aangezien het onderwerp te belangrijk is, de vooroordelen te wijdverbreid en de gevolgen voor te veel mensen te verstrekkend, neem ik nu de taak op me om alsnog dat te doen wat meneer Geling heeft nagelaten te doen.

“Het onderwerp diversiteit dreigt steeds meer gepolitiseerd te worden”

Tja, waar moet ik beginnen? Het is inmiddels — eind 2016 — ook tot meneer Geling doorgedrongen dat diversiteit en de multiculturele samenleving geen rare hersenspinsels, theoretische gedachte-experimenten, of onhaalbare sociale uitprobeersels zijn, maar “een gegeven”. Bravo voor dit inzicht aangaande de werkelijkheid.

Toch ontbreekt het hem aan het veel belangrijkere inzicht dat dit gegeven alles te maken heeft met de samenstelling van de samenleving. En als het gaat om de samenstelling van de samenleving, dan gaat het om mensen. Om individuen. Om héél veel individuen. Mensen die verschillend zijn, divers, multiple en pluraal. Mensen die desondanks met elkaar een begrensde ruimte en tijd moeten delen. Alles — maar dan ook werkelijk alles — dat in de gedeelde ruimte en tijd gezegd en gedaan wordt, heeft met politiek te maken. En daarmee bedoel ik niet enkel de politiek van de beroepspolitici, maar Hannah Arendts heldere notie van politiek: “Politik handelt von dem Zusammen- und Miteinander-Sein der Verschiedenen.”

Vrij vertaald, houdt dit in dat politiek gaat over het samen- en met-elkaar-zijn van de diverse mensen. Daarbij is beslissend dat de gedeelde ruimte georganiseerd wordt op een manier die werkelijk rechtvaardig is. Voor iedereen. Om dan te gaan roepen dat “het onderwerp diversiteit steeds meer gepolitiseerd dreigt te worden, en daarmee steeds controversiëler wordt”, getuigt van een grote onnadenkendheid en gedachteloosheid. Als het al zo zou zijn dat diversiteit voor het eerst gepolitiseerd wordt — wat natuurlijk geenszins het geval is en als historicus had hij dit kunnen weten —, dan is de enige constatering die ik kan maken: “Het is de hoogste tijd dat diversiteit gepolitiseerd wordt!” En überhaupt: hoe kunt u iets willen depolitiseren dat door en door politiek is, meneer Geling? En wat zegt dat over u? Dat u de wereld niet wilt delen met de diverse anderen?

Dit duwt dan ook meteen uw andere uitspraak in een helderder licht. Uw “koester diversiteit” wordt zo wel uiterst ongeloofwaardig. Het donkerbruine vermoeden dringt zich op dat u die diversiteit eigenlijk liever niet wilt koesteren. Dat u dit ‘gegeven’ eigenlijk vreselijk lastig en irritant vindt. Maar dat mag u natuurlijk niet zomaar openlijk zeggen. Want dat is dan racistisch en seksistisch, en per definitie onfatsoenlijk. Dus zegt u het maar via een omweg. Dat is pas echt controversieel.

“Diversiteitsfundamentalisme”

En hoe dit dan ‘pragmatisch, constructief en niet ideologisch’ zou kunnen zijn — want daar pleit u toch voor, meneer Geling? —, ontgaat me volledig. Voor zover ik weet, is een ideologie het geheel van ideeën dat ten grondslag ligt aan een politiek of filosofisch stelsel. Aangezien het hier niet om filosofie, maar om politiek gaat — dat is hopelijk inmiddels wel duidelijk —, vermoed ik heel sterk dat u uw waarschuwing uit met op de achtergrond de ideologie van de superioriteit van de witte mens. Of beter: de witte man.

Want u als witte man weet beter “hoe het moet” met die vermaledijde diversiteit dan de emeritus-hoogleraar Gender en Etniciteit Gloria Wekker, die bovendien ervaringsdeskundige is. U weet het ook nog beter dan al die niet witte mensen die dag in dag uit gehinderd worden in het succesvol inrichten van hun leven. Gehinderd door het ontbreken van rechtvaardigheid, democratisering en dekolonialiteit in de samenleving. Sterker nog, u durft zelfs een neologisme te introduceren: “diversiteitsfundamentalisme”. Hoe verzin je ’t?

Met deze term roept u direct een nieuwe uitingsvorm van racisme in het leven. Een racisme dat hand in hand gaat met seksisme. Dît is wat “te ver gaat” en niet de voorstellen die u nog niet eens helemaal kunt kennen. Laat staan de beweegredenen die ten grondslag liggen aan deze voorstellen en die voortvloeien uit wetenschappelijk onderzoek.

Deze nieuwe vorm van racisme is het opnieuw onzichtbaar willen maken van al die diverse mensen die niet in het bezit zijn van sociale macht en die steeds zichtbaarder worden gemaakt door de mensen de u zo neerbuigend bestempelt als ‘fundamentalisten’. Ik vraag me toch serieus af wie hier precies aan fundamentalisme doet. Zeker als ik ervan uitga dat u met dit woord niet doelt op de oorspronkelijke betekenis — in de zin van een religieus fundamentalisme dat teruggrijpt op de oorspronkelijke interpretaties van de heilige geschriften —, maar op de betekenis in de zin van een vijandige, beledigende en vooral beledigde houding, die duidt op bekrompenheid en obscurantisme.

Oh, schrik! — “ze willen een ‘diversiteitsquotum’ en een ‘diversiteitswaakhond’ die erop moet toezien”

Ik kan ik me niet voorstellen dat het woord ‘diversiteitswaakhond” bedacht is door de Commissie Diversiteit, of dat het zelfs voorkomt in het rapport. Maar ik weet dit dus niet en daarom laat ik me vooralsnog verrassen. Laat ik daarom maar even ingaan op dat quotum dat u zo beledigd tussen haakjes zet, meneer Geling.

U vindt zo’n quotum een van de “verregaande, en ook uiterst controversiële voorstellen” die — daar is ie weer — “zouden kunnen getuigen van een verregaand diversiteitsfundamentalisme […], waarbij men zo strikt en letterlijk mogelijk vasthoudt aan het beginsel dat diversiteit overal en ten (sic) allen tijde doorgevoerd zou moeten worden”. Hm, heel merkwaardig. Ineens is diversiteit niet meer “een gegeven” van de realiteit, maar “een beginsel”.

Het woord beginsel heeft verschillende betekenissen. Een beginsel is een grondslag, maar beginselen zijn ook de voornaamste regels van een systeem of theorie. De werkelijkheid is echter geen systeem, en zij is zeer zeker geen theorie. Een andere betekenis van de term beginsel is dat het daarbij gaat om een overtuiging, een principe of een stelling, en dan met name in de domeinen van de godsdienst, de moraliteit of de politiek. Nogmaals: diversiteit is een — zelfs door u aanvaard — gegeven van hoe de realiteit in elkaar steekt. Zodoende kan diversiteit nimmer een overtuiging, principe of stelling zijn. Het is dus best obscuur wat u eigenlijk hiermee wilt zeggen. En obscurantisme valt dan weer onder de mogelijke betekenissen van fundamentalisme. Maar dit ter zijde.

Wat betreft de uiterst positieve ervaringen met het instellen van quota, kunt u volgens mij uw streven naar kennis bevredigen — want als wetenschapper wilt u dat voortdurend, toch? — door bijvoorbeeld dit verslag van het Symposium over diversiteit in de wetenschap te lezen. En dan vooral het gedeelte dat staat onder de kop “Milde tot zeer verregaande acties”, waarbij een van die ‘verregaande acties’ het vrouwenquotum is. De conclusie van het onderzoek is te mooi om hier onvermeld te laten:

“Kort samengevat: goede vrouwen worden aangemoedigd te reageren, en dit gaat ten koste van middelmatige mannen. Voor vele aanwezigen een ware eye opener.”

Ook kunt u even lezen in het onderzoek van het Europese Parlement: Electoral Gender Quota Systems and their Implementation in Europe (2013). Vooral de tabel op pagina 12 heeft een uiterst verhelderende werking als het gaat om de bezwaren tegen quota.

Oh, gelukkig! — “de commissie heeft niet alleen maar misplaatste voorstellen gedaan”

U vindt het terecht dat de commissie het gebruik van discriminerende stereotypen en scheldwoorden binnen de UvA aankaart. En, zo zegt u, “is het natuurlijk niet zo dat diversiteit in zijn geheel er niet toe zou moeten doen.” Oh, gelukkig!

Oh nee wacht, toch niet, want “het is ernstig de vraag” of de manier waarop de commissie de feitelijk bestaande discriminatie wil bestrijden daadwerkelijk ook gaat werken. U denkt van niet. “Het tegenovergestelde lijkt eerder waar te zijn”, zegt u. Waarop baseert u dit eigenlijk? En tot overmaat van ramp vergelijkt u de strijd die de commissie aan het voeren is tegen discriminatie met juist diezelfde discriminatie. Een discriminatie die zij dagelijks ervaren en die u nog nooit heeft ervaren. En die u hoogstwaarschijnlijk ook nooit zult ervaren, zolang de sociale macht blijft graviteren in de richting van witte, heteroseksuele en afgestudeerde mannen die continue een platform krijgen aangeboden om hun vooroordelen publiek te maken.

Whitesplaining, mansplaining en diversiteitsplaining

Dit allemaal is een tafereel van de kleine, maar machtige burger die daar op de vingers slaat van de onmachtige, maar soevereine burgers. Precies dit is wat u doet, meneer Geling. Het is whitesplaining ten top. Het is mansplaining ten top. En het is diversiteitsplaining ten top. Het zijn niet de voorstellen van de Commissie Diversiteit — nogmaals: het rapport wordt pas in Oktober gepresenteerd! — die “in het harnas jagen” en dus polariserend zijn, maar uw ‘splaining’ is dat. Daarmee houdt u de polarisatie, die er al lang is, stevig verankerd in de realiteit. Een polarisatie die de commissie nota bene wil bestrijden, juist omdát daarin de werkelijke oorzaak ligt van de stelselmatige discriminatie, uitsluiting en onrechtvaardige behandeling van de Ander met een hoofdletter A.

Als wat u doet geen fundamentalisme is, als het geen obscurantisme is om de zo belangrijke aspecten van de werkelijkheid verborgen te willen houden en dat vervolgens te verkopen als ‘pragmatisch, constructief en niet ideologisch’, dan ben ik een witte, heteroseksuele man.


Dit artikel is oorspronkelijk verschenen bij Vileine.com.