Intersectionaliteit is meer intersectioneel dan klasse

intersectionaliteit
(Unsplash)

Over de term intersectionaliteit bestaat vandaag de dag veel onduidelijkheid. Zo zou het een politieke beweging zijn, een modewoord, of volgens sommigen zelfs een geloof. Hoewel er natuurlijk altijd mensen zijn die er iets anders van willen maken, is intersectionaliteit — ook wel kruispuntdenken genoemd — in beginsel een analysetool om verschillende lagen van macht, oppressie en dominantie bloot te leggen.

Intersectionaliteit gaat er hierbij van uit dat individuen te maken hebben met een veelvoud aan opgelegde en discriminerende identiteiten die met elkaar overlappen, waaronder: seksualiteit, afkomst, klasse, etniciteit, nationaliteit, seksuele oriëntatie, religie, leeftijd, gezondheid van lijf en leden en vele andere vormen van identiteiten. Zo vecht een witte vrouw bijvoorbeeld tegen seksisme en een zwarte man tegen racisme, maar strijdt een zwarte vrouw zowel tegen racisme als seksisme. Wanneer deze zwarte vrouw ook  lesbisch is en/of moslima, dan vecht zij naast racisme en seksisme ook nog tegen homofobie, xenofobie en islamofobie.

Verschillende systemen van oppressie

Al deze verschillende opgelegde en discriminerende identiteiten waarmee een individu in haar of zijn specifieke leven te maken heeft, en het punt waarop deze elkaar overlappen, noemt men ook wel intersecties. Intersectionaliteit analyseert de verschillende intersecties en de daaraan gerelateerde systemen van dominantie, oppressie en discriminatie.

Het uitgangspunt is dat deze overlappende identiteiten niet simpelweg een optelsom zijn van de afzonderlijke delen bij elkaar, maar dat zij een totaal vormen dat tezamen een geheel nieuwe identiteit creëert. Als zodanig vraagt intersectionaliteit van ons dat we elk afzonderlijk element van iemands identiteit zien als iets dat onlosmakelijk verbonden is met alle andere elementen ervan1. Zo is de identiteit van een zwarte vrouw niet simpelweg de optelsom van de categorieën ‘zwart’ en ‘vrouw’, maar vormt zij samen dus een geheel eigen categorie van discriminatie.

Discrimination, like traffic through an intersection, may flow in one direction, and it may flow in another.
If an accident happens in an intersection, it can be caused by cars traveling from any number of directions and, sometimes, from all of them. Similar, if a Black woman is harmed because she is in the intersection, her injury could result from sex discrimination or race discrimination.

Deze specifieke focus op iemands eigen geleefde ervaring noemt men ook wel identiteitspolitiek. Als zodanig vormt identiteitspolitiek een raamwerk dat helpt om systematische sociale onrechtvaardigheden waarmee individuen worden geconfronteerd, inzichtelijk te maken. Zodoende biedt intersectionaliteit een vocabulaire, ofwel een handvat, om radicale maatschappijkritiek te leveren op de samenleving en haar wetten en instituties.

Combahee River Collective

De eerste beweging die zich focuste op de gelijktijdigheid van verschillende vormen van discriminatie werd begin jaren 70 opgericht door een groep zwarte vrouwen. Na jaren te hebben meegestreden in zowel zwarte bevrijdings- en vrouwenbewegingen, zagen zij in dat géén van deze progressieve organisaties de specifieke onderdrukking van de zwarte vrouw als prioriteit zag. Daar waar de zwarte bewegingen zich louter richtten op racisme, focusten de vrouwenbewegingen zich voornamelijk op seksisme. De karakteristieke onderdrukking van de zwarte vrouw viel simpelweg tussen wal en schip.

Hierdoor realiseerden ze zich dat zijzelf de enige mensen waren die zich werkelijk bekommerden om hun bevrijding2. Gedesillusioneerd door hun persoonlijke ervaringen met de diverse bevrijdingsbewegingen zagen zij dan ook de noodzaak voor een beweging die zowel anti-racistisch als anti-seksistisch was. Dit leidde in 1973 tot de vorming van de National Black Feminist Organisation (NBFO) waarmee de eerste zwarte feministische beweging een feit werd.

De NBFO vormde al snel de basis voor de Combahee River Collective (CRC) die in 1974 werd opgericht door een groep zwarte lesbische vrouwen. Echter, het gedachtegoed van de NBFO zagen zij nog steeds als te beperkt. Daarom kwamen ze met een radicalere visie die zich naast de oppressie van de zwarte vrouw ook richtte op heteroseksualiteit en klasse. In hun Combahee River Collective Statement stelden zij dat het persoonlijke een belangrijk uitgangspunt vormt voor hun feministisch principe dat zich focust op identiteitspolitiek. De meest diepgaande en radicale politiek komt immers voort uit de eigen identiteit die het kruispunt vormt van allerlei identiteiten, zoals onder meer: geslacht, ras, klasse, nationaliteit, seksuele oriëntatie, religie, leeftijd. Deze specifieke focus op de eigen geleefde ervaring maakte stelde hen in staat om de gelaagde structuur van oppressie, waarmee de zwarte vrouw in haar leven te maken krijgt, inzichtelijk te maken.

Kimberlé Crenshaw en de term intersectionality

Pas in 1989 werd de term intersectionality in het leven geroepen door de mensenrechten-advocate en academica Kimberlé Crenshaw. Tijdens haar werk als advocaat kwam ze erachter dat het recht weliswaar opkomt voor afzonderlijke gemarginaliseerde categorieën als ras en sekse, maar niet altijd voor de specifieke gevallen waarbij beide overlappen.

In haar artikel Demarginalizing the Intersection of Race and Sex beschrijft ze aan de hand van de zaak DeGraffenreid uit 1976 hoe zwarte vrouwen ook binnen het recht over minder privileges beschikken dan witte vrouwen, of zwarte en witte mannen. Dat jaar klaagde Emma DeGraffenreid samen met vier andere zwarte vrouwen General Motors aan, omdat dit bedrijf geen enkele zwarte vrouw in dienst had genomen. Hoewel de historische Civil Rights Act discriminatie op basis van ras, kleur, religie, geslacht of nationaliteit verbood, konden deze vrouwen het in de rechtszaal niet hardmaken dat hier sprake was van discriminatie. De rechter keek immers alleen naar de afzonderlijke categorieën van ras en en sekse. Zodoende kwam hij tot het oordeel dat er in dit geval geen sprake was van racisme of seksisme, omdat er wél witte vrouwen en zwarte mannen werkten bij General Motors.

Deze en andere zaken motiveerden Crenshaw om het concept van diversiteit radicaal te overdenken. Niet langer moesten afzonderlijke vormen van discriminatie gezien worden als losse identiteiten, maar als een totaal waarbij de overlappende identiteiten tezamen een geheel nieuwe identiteit creëren. Op deze manier werd het mogelijk om de zwarte vrouw niet louter te zien als de som van seksisme en racisme, maar als een geheel eigen categorie van discriminatie:

Black women sometimes experience discrimination in ways similar to white women’s experiences; sometimes they share very similar experiences with Black man. Yet often they experience double-discrimination—the combined effects of practices which discriminate on the basis of race, and on the basis of sex. And sometimes, they experience discrimination as Black women—not the sum of race and sex discrimination, but as Black women.3

Wat Crenshaw met de zaak DeGraffenheid inzichtelijk maakt, is dat de emancipatie van de vrouw en de zwarte gemeenschap niet per definitie betekent dat iedereen profiteert. Zelfs binnen de categorieën ‘vrouw’ en ‘zwart’ zijn er nog steeds grote verschillen in privileges. Onder de beroepsbevolking delft de zwarte vrouw immers nog steeds het onderspit tegenover de zwarte man of de witte vrouw.

Niet voor niets stelde de CRC in haar statement erg sceptisch te zijn tegenover een sociale revolutie die niet ook tegelijkertijd racisme en seksisme meeneemt. Hoewel de vrouwen van de CRC het in essentie eens waren met Marx’s analyse van de economische relaties, twijfelden ze er terecht aan of een dergelijke revolutie ook hún bevrijding als zwarte vrouw waarborgt. De hele reden voor het ontstaan van de NBFO en de CRC was immers dat eerdere bevrijdingsbewegingen niet opkwamen voor hun specifieke onderdrukking als zwarte (lesbische) vrouwen.

Klasse meer intersectioneel dan intersectionaliteit?

Hoewel intersectionaliteit revolutionair is in haar analyse, krijgt ze ook veel kritiek. Zo zou identiteitspolitiek te veel de nadruk leggen op de onderlinge verschillen tussen individuen, in plaats van op zoek te gaan naar één gemene deler die ons allen verenigt. ‘Klasse’ zou in die zin dan meer intersectioneel zijn dan intersectionaliteit. Een mening die ook wordt gedeeld door Ewald Engelen, hoogleraar financiële geografie.

In zijn boek De mythe van de gemaakte vrouw verwijt hij de intersectionele feministen dat zij met hun focus op identiteitspolitiek de identiteit klasse zouden hebben verkwanseld. Hierdoor zou de weg vrijgemaakt zijn voor een neoliberaal wereldbeeld4. De linkse politiek zou zich daarom meer moeten focussen op klasse en klassenstrijd en minder op wat hij een ‘hippe identiteitspolitiek’ noemt.

Politiek gaat volgens hem namelijk niet over “individuen, maar over klassen, genders, rassen, geloven, etniciteiten — categorieën die maatschappelijke breuklijnen aanduiden.” Links zou zich dan ook moeten verenigen rondom een breed maatschappelijk hervormingsprogramma dat zich inzet voor klimaat en kapitaalverdeling. De emancipatie van gemarginaliseerde minderheden, zoals de vrouw, is weliswaar belangrijk, maar ondergeschikt aan dit hogere doel, aldus Engelen. Hij wil zich dus liever concentreren op categorieën in plaats van op individuen die persoonlijk geconfronteerd zijn met overlappende identiteiten.

Maar verliest Engelen hiermee niet juist de maatschappelijke intersecties van ongelijkheid — nota bene de kern van het intersectionele denken — uit het oog?

‘Nieuw licht’ op het feminisme?

Engelen mag dan misschien wel van mening zijn dat gemarginaliseerde groepen, zoals vrouwen, zich ondergeschikt zouden moeten maken aan een breder maatschappelijk doel, zoals de klassenstrijd en het klimaat, maar wat garandeert hen dat ze na deze strijd niet nog steeds onderaan de privilege-ladder blijven staan? En misschien nog wel belangrijker: wat gaat ervoor zorgen dat de onderliggende systematische structuren van discriminatie — die de klassenverschillen in stand houden — ook daadwerkelijk zullen verdwijnen?

Hiertegen zou hij in kunnen brengen dat het vrouwen zijn die het meeste last hebben van het klimaat en een ongelijke verdeling van kapitaal en goederen. Hoewel ik van mening ben dat vrouwen zeker profijt zullen hebben bij een strijdt tegen kapitaalongelijkheid en klimaat, twijfel ik er echter aan of deze strijd ook de diepere onderliggende machtsstructuren aanpakt die deze ongelijkheid juist continueren. Dat wat je niet benoemt is immers niet zichtbaar, en wat niet zichtbaar is, kun je ook niet oplossen. Wil Engelen naast het klimaat en klassenverschillen ook tegelijkertijd het racisme en seksisme aanpakken, dan zal hij het in de eerste plaats zichtbaar moeten maken om het überhaupt bij de wortel aan te kunnen pakken. Dit doet hij nu niet.

Wat hij achterwege laat, doet de intersectionele beweging juist wel, aangezien de intersectionele identiteitspolitiek het analysemiddel bij uitstek is om deze diepere, systematische machtsstructuren zichtbaar te maken. Met de focus op de persoonlijke geleefde ervaring beweegt zij zich namelijk vanuit de singuliere ervaring naar het algemene van de identiteitscategorieën, en niet omgekeerd. Zodoende is intersectionaliteit in staat om discriminatie bínnen klassen en categorieën bloot te leggen. Zonder deze kruispuntanalyse zou elke discriminatie op basis van overlappende identiteiten volledig onzichtbaar blijven. Zodoende gaat intersectionaliteit veel dieper dan klasse alleen. Een strijd tegen ongelijkheid zal mijns inziens dan ook per definitie hand in hand moeten gaan met deze vorm van inclusieve identiteitspolitiek.

Veralgemeniseren is dehumaniseren

Naast intersectionaliteit bestaat er ook nog een andere vorm van identiteitspolitiek die machtsongelijkheid juist in stand houdt en verstevigt. Dit is een uitsluitende vorm van identiteitspolitiek waarbij een hele groep individuen één enkele identiteit wordt aangemeten.

Een goed voorbeeld hiervan is Geert Wilders die ‘de islam’ wegzet als een ‘achterlijke cultuur’ en ‘de moslim’ als crimineel en gevaarlijk. Een dergelijke identiteitspolitiek heeft geen oog voor het singuliere individu en de onderlinge verschillen die bestaan tussen alle moslims. In plaats daarvan reduceert Wilders elke moslim tot de algemene identiteit ‘moslim’. Niet langer is hun individuele karakter en levensverhaal bepalend voor wie zij zijn als individu, maar wordt hun identiteit bepaald door de categorie ‘moslim’ en alle negatieve stereotyperingen die eraan vasthangen.

Zo’n veralgemeniseren en reduceren van groepen mensen tot één enkele identiteit betekent dan ook per definitie dat miljarden moslims ontmenselijkt worden. Deze dehumanisering ontstaat doordat een categorie, of klasse, het menselijke gezicht wegneemt van de plurale individuen binnen deze groep.

Op dezelfde wijze heeft Engelens aanpak de neiging om de nadruk te leggen op algemeenheden in plaats van te kijken naar de mensen zelf. Door zijn maatschappelijke strijd los te koppelen van een intersectionele en inclusieve identiteitspolitiek, ligt het gevaar immers op de loer dat individuen verdwijnen in algemene categorieën. Uiteraard is het niet de bedoeling om Engelen hier weg te zetten als iemand die bewust minderheden wil ontmenselijken.

Desondanks ben ik van mening dat hij te weinig oog heeft voor de pluraliteit van mensen die niet zomaar kunnen worden gecategoriseerd. Zijn poging om links te verenigen achter één breed maatschappelijk doel — zonder gebruikmaking van een intersectionele identiteitspolitiek — zal mijns inziens dan ook onvermijdelijk leiden tot nieuwere vormen van oppressie, of het instandhouden van de huidige.

Identiteitspolitiek als unifier

Waar Engelen wel een punt heeft, is dat er een brede maatschappelijke beweging nodig is om de bestaande machtsstructuren omver te werpen. Zoals Hannah Arendt al zei: “Over macht beschikt nimmer de enkeling; macht is het eigendom van een groep en blijft slechts zolang bestaan als de mensen in de groep elkaar steunen”5. De vraag is echter hoe je mensen kunt verenigen op een manier dat dit geen afbreuk doet aan de pluraliteit die er bestaat in de wereld.

Het antwoordt hierop kan gevonden worden in het werk van de mensenrechtenactivist, schrijver en dichter Audre Lorde. Zij pleitte jarenlang voor meer inclusiviteit en diversiteit binnen de Amerikaanse vrouwenbewegingen en  benadrukte dat het niet de verschillen zijn die ons scheiden, maar juist ons onvermogen om met deze verschillen om te gaan6. Volgens haar wordt de noodzaak tot eenheid vaak verward met homogeniteit en in hun drang naar homogeniteit zagen de diverse vrouwenbewegingen elkaar veelal als een gevaar voor de eigen specifieke strijd tegen oppressie.

In haar werk merkte Lorde eveneens op dat alle vrouwen — wit, zwart, lesbisch, moslim, arm, dik, oud — onderhevig zijn aan dezelfde mythische norm. Een norm die meestal gedefinieerd wordt als: wit, man, heteroseksueel, dun, jong, christelijk en financieel stabiel. Zodoende vechten alle vrouwen in de kern tegen dezelfde machtsstructuur die voortkomt uit deze mythische — en dus historisch toevallig ontstane norm — die mensen zelf in stand houden. Ze laat zien dat de onderlinge strijd van de vrouwenbewegingen averechts werkt, aangezien ze uiteindelijk tegen hetzelfde aan het vechten zijn.

Luisteren naar elkaars woede

De oplossing kan volgens Lorde gevonden worden in het luisteren naar elkaars woede. In woede zit immers veel bruikbare informatie over het specifieke leed dat iemand heeft ervaren als gevolg van haar oppressie. Wanneer vrouwen leren luisteren naar elkaars woede — zonder deze te vergelijken met het eigen leed, en zonder deze af te doen als minder relevant —, dan kan er volgens Lorde uit deze woede een gemeenschappelijk bewustzijn ontstaan. Ze roept dan ook alle vrouwen op om de onderlinge verschillen in dominantie en oppressie niet te zien als een gevaar, maar om deze juist te gebruiken als een voedingsbodem voor een gezamenlijke strijdt tegen machtsongelijkheid:

I am not free while any woman is unfree, even when her shackles are very different from my own. And I am not free as long as one person of color remains chained. Nor is any of you.

Wat Lorde hier op mooie wijze inzichtelijk maakt, is dat de verschillende vormen van oppressie via het gevoel van woede getransformeerd kunnen worden tot iets dat hen verenigt.

Ondanks dat Lorde zich voornamelijk focust op vrouwen, kan haar theorie mijns inziens ook als raamwerk dienen voor een bredere gemeenschappelijke strijd tegen sociale ongelijkheid  en klimaatverandering waarbij de onderdrukking van alle aardbewoners, dus ook dieren, kan worden meegenomen. Op deze wijze wordt er alsnog rekening gehouden met de pluraliteit en diversiteit van mensen. Belangrijk hierbij is wel dat iedereen inziet dat zijn of haar eigen specifieke strijd tegen machtsongelijkheid feitelijk dezelfde is als die van hun buren.

In het onderkennen van zowel de onderlinge verschillen als de gemene deler ligt dan ook een enorme revolutionaire potentie. Een potentie die mogelijk kan leiden tot de bevrijding van iedereen, zoals Crenshaw in dit verband al terecht opmerkte over het insluiten van gemarginaliseerde groepen:

When they enter, we all enter.

Klasse is niet meer intersectioneel dan intersectionaliteit

Zoals ‘dé media’ en ‘dé islam’ niet bestaan, zo bestaat er ook niet zoiets als ‘hét feminisme’. Toch praat Engelen in zijn boek over ‘hét feminisme’ alsof het een monoliet is. Alsof het feminisme geen pluraliteit kent in de vorm van wit koloniaal feminisme, zwart feminisme, islamitisch feminisme, intersectioneel feminisme en alle andere vormen van feminisme. Tevens lijkt hij er geen rekenschap van te geven dat er zelfs binnen deze vormen ook nog verschillende stromingen bestaan. Stromingen die worden aangehangen door plurale individuen die allen verschillend zijn en elk hun eigen idee hebben van deze wereld en de feministische strijd. 

Het is dan ook niet verwonderlijk dat Engelen de intersectionele identiteitspolitiek afdoet als ‘hip’ en dus onbruikbaar in de strijdt tegen machtsongelijkheid. Zoals hierboven zichtbaar is geworden, is identiteitspolitiek het analysemiddel bij uitstek als het gaat om discriminatie en machtsongelijkheid. Een instrument dat bovendien rekening houdt met de pluraliteit van mensen waardoor zichtbaar wordt dat er niet zoiets bestaat als ‘de gemiddelde mens’, maar dat de wereld bestaat uit meer of minder geprivilegieerde personen met ieder hun eigen specifieke levensverhaal.

Engelens kritiek dat de intersectionele feministen met hun focus op ras, etniciteit, geloof, gender, seksuele voorkeur, etc. de categorie klasse zouden zijn vergeten, slaat dan ook volledig de plank mis. Had hij ook maar even de tijd genomen om het werk van onder andere de CRC, Kimberlé Crenshaw, Audre Lorde en bell hooks te lezen, dan had hij dit kunnen weten. Zij die het hart vormen van de intersectionele beweging en die in hun eigen leven altijd hebben moeten vechten vanuit de onderste lagen van de samenleving, weten als geen ander wat de betekenis van klasse in hun leven is.

Intersectionaliteit is een vorm van identiteitspolitiek die de machtsongelijkheid  binnen álle lagen en categorieën van de samenleving blootlegt. Dit in tegenstelling tot een politiek die zich louter richt op een algemene klassenstrijd. Deze is voornamelijk gefocust op kapitaalongelijkheid en laat de onderliggende verschillen binnen de categorieën als ras en sekse links liggen. Pas wanneer men de onderlinge machtsverschillen tussen mensen aankaart en opkomt voor alle gemarginaliseerde mensen, pas dan kan links een beweging vormen die zich inzet voor iedereen. Want, wanneer zelfs de minst geprivilegieerde onder ons werkelijk gaan beschikken over gelijke kansen, pas dan kunnen we spreken van een samenleving waarin iedereen vrij is.

Als Engelen dus een linkse beweging wil opzetten die niet alleen rechtvaardig is voor de gemiddelde mens, maar echt rechtvaardig voor iedereen, dan zal hij mijns inziens in zijn emancipatiestrijd toch ruimte moeten maken voor de intersectionele identiteitspolitiek.

Macht geeft zichzelf niet zomaar gewonnen

Desondanks is het gelijktrekken van privileges en daarmee het neutraliseren van machtsongelijkheid niet door iedereen geliefd. Dit betekent namelijk dat diegene die over privileges beschikt deze deels moet inleveren.

Zoals Engelen terecht aangeeft dat de witte ‘bovenklassevrouw’ niet zonder slag of stoot haar privileges zal afgeven, zo zullen anderen dit ook niet zomaar doen. Macht geeft zichzelf immers niet zomaar gewonnen. Het is daarom ook niet verwonderlijk dat intersectionaliteit geregeld bekritiseerd wordt door nota bene witte geprivilegieerde mannen, zoals de heer Engelen.

Niet alleen is de kritiek vaak ongefundeerd en onterecht, ook lijken zij niet in te zien dat het bij sociale rechtvaardigheid gaat om rechtvaardigheid voor íedereen. Of met de woorden van bell hooks over Martin Luther King:

He had a profound awareness that the people involved in oppressive institutions will not change from the logics and practices of domination without engagement with those who are striving for a better way.7


 

Footnotes

  1. Crenshaw, Kimberlé. (1989) Demarginalizing the Intersection of Race and Sex.
  2. Combahee River Collective. (1982) A Black Feminist Statement.
  3. Crenshaw, Kimberlé. (1989) Demarginalizing the Intersection of Race and Sex.
  4. Engelen, Ewald. (2016) De Mythe van de gemaakte vrouw.
  5. Arendt, Hannah. (2012) In der Gegenwart: Macht und Gewalt.
  6. Lorde, Audre. (2007) Sister Outsider.
  7. hooks, bell. (Fall 2012) ‘The Beloved Community: A Conversation with bell hooks’, in: Appalachian Heritage, Volume 40, Number 4.